|
|||||||
|
|
|
|||||
|
|
|||||||
Afdeling I. - Criteria voor sanering
Artikel 30.
§1.Op gronden met historische bodemverontreiniging wordt bodemsanering uitgevoerd indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt.
§2.De Vlaamse regering wijst op voorstel van OVAM die historisch verontreinigde gronden aan, waar bodemsanering moet plaatsvinden.
§3.Indien het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt, wordt een bodemsaneringsproject opgesteld en worden bodemsaneringswerken uitgevoerd.
Afdeling 2. - Verplichting tot uitvoering van de bodemsanering
Artikel 31.
§ 1.Indien gronden met historische bodemverontreiniging overeenkomstig artikel 30 aan bodemsanering worden onderworpen, maant OVAM de persoon, aangewezen overeenkomstig artikel 10, § 1, aan om de bodemsanering uit te voeren. De aangewezen persoon voert de bodemsanering uit op eigen kosten.
§ 2.De in § 1 bedoelde persoon is niet verplicht tot bodemsanering over te gaan indien hij het bewijs levert dat hij aan de hieronder bepaalde voorwaarden cumulatief voldoet:
1° dat hij de verontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt;
2° dat hij op het ogenblik waarop hij eigenaar of gebruiker werd van de grond niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de verontreiniging.
§ 3.De in § 1 bedoelde persoon die, hoewel hij van de verontreiniging op de hoogte was of behoorde te zijn, voor 1 januari 1993 historisch verontreinigde gronden verworven heeft, is evenmin verplicht tot bodemsanering over te gaan indien hij kan aantonen dat hij de verontreiniging niet heeft veroorzaakt en dat hij de gronden sinds de verwerving niet heeft gebruikt voor zijn beroep of bedrijf.
§ 3bis.De in § 1 bedoelde persoon deelt met een aangetekend schrijven zijn gemotiveerd standpunt hieromtrent, op straffe van verval, binnen 30 dagen na ontvangst van de aanmaning aan OVAM mee.
§ 4.Wie de exploitatie van de op de grond gevestigde inrichting of activiteit bedoeld in artikel 10, § 1, a) van dit decreet overnam, of de eigendom of de feitelijke controle over de grond als bedoeld in artikel 10, § 1, b), verwierf van een verbonden onderneming die op de hoogte was of behoorde te zijn van de verontreiniging, wordt geacht op de hoogte geweest te zijn van de verontreiniging.
Afdeling 3. - Aansprakelijkheid en zekerheden
Artikel 32.
§ 1.Onverminderd het laatste lid van artikel 14 van het decreet van 20 april 1994 tot wijziging van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen, wordt de aansprakelijkheid voor de kosten en verdere schade bedoeld in artikel 25 bij historische bodemverontreiniging vastgesteld overeenkomstig de aansprakelijkheidsregels die van toepassing waren voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet.
§ 2.De aansprakelijkheid voor schade als bedoeld in artikel 25 die de persoon, die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 31, § 2 of § 3, kan oplopen op basis van voor de datum van inwerkingtreding van dit decreet van toepassing zijnde regels die aansprakelijkheid vestigen op de loutere eigendom of de loutere bewaking van de grond, wordt beperkt tot het bedrag van de kosten nodig om te voorkomen dat de bodemverontreiniging zich verder verspreidt of een onmiddellijk gevaar vormt.
Artikel 33.
De persoon die overgaat tot bodemsanering op gronden met historische bodemverontreiniging, stelt op verzoek van OVAM financiėle zekerheden tot waarborg van zijn verbintenissen overeenkomstig de artikelen 31 en 32.
Afdeling 4. - Gemengde verontreiniging
Artikel 34.
Is de bodemverontreiniging gedeeltelijk voor en gedeeltelijk na de inwerkingtreding van dit decreet tot stand gekomen, dan worden, voor zover de twee soorten bodemverontreiniging kunnen worden onderscheiden, de respectieve bepalingen voor elke soort bodemverontreiniging toegepast.
Kunnen de verschillende soorten bodemverontreiniging niet worden onderscheiden, dan gelden uitsluitend de bepalingen voor bodemverontreiniging tot stand gekomen na de inwerkingtreding van dit decreet.
Afdeling 5. - Verwijzing
Artikel 35.
De artikelen 8, 9 en 11 tot en met 24 zijn van overeenkomstige toepassing bij bodemsanering uitgevoerd op gronden met historische en gemengde bodemverontreiniging.