|
|||||||
|
|
|
|||||
|
|
|||||||
HOOFDSTUK IV. Vernieling van zonevreemde constructies
[Artikel 145
§ 1. De vergunningverlenende overheid mag, bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, afwijken van de voorschriften van een gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op het herbouwen of verbouwen op dezelfde plaats van een vergunde woning op voorwaarde dat de aanvrager het bewijs levert dat voldaan is aan volgende voorwaarden:
1° de woning is geheel of gedeeltelijk vernield of beschadigd door één van de oorzaken opgesomd in artikelen 61 en 62 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, buiten de wil van de aanvrager;
2° de woning was voor de vernieling of beschadiging niet verkrot en werd volgens het bevolkingsregister gedurende ten minste 3 jaar en tot op de dag voorafgaand aan de vernieling of beschadiging bewoond door de aanvrager die tevens eigenaar is of erfgenaam in rechte lijn van de eigenaar;
3° de aanvraag gebeurt binnen het jaar na de vernieling of beschadiging;
4° het voorwerp van de aanvraag is niet gelegen in:
5° zo het voor de vernieling of beschadiging bestaande bouwvolume meer bedraagt dan 1.000 m³ en het een herbouw betreft, dient de herbouwde woning beperkt te blijven tot 1.000 m³. In de andere gevallen dient de aanvraag beperkt te worden tot het vergunde bouwvolume.
Het aantal woongelegenheden moet beperkt blijven tot één. De architecturale eigenheid van het vergunde gebouw moet - ook bij herbouwen - behouden blijven.
De hierboven vermelde afwijking kan slechts worden verleend op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort.
De aanvragen worden onderworpen aan een openbaar onderzoek, waarvan de kosten ten laste van de aanvrager komen. De Vlaamse regering bepaalt de wijze waarop het onderzoek plaatsheeft.
§ 2. De Vlaamse regering zal de schadevergoeding die uitbetaald wordt door de verzekeraar met toepassing van artikel 67, § 2, 2° of 67, § 3, 1°, b) van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, aanvullen met maximum 20 % van de verzekerde waarde op voorwaarde dat aan volgende vier voorwaarden gezamenlijk is voldaan:
1° de stedenbouwkundige vergunning voor het herbouwen of verbouwen wordt geweigerd;
2° de gehele of gedeeltelijke vernieling gebeurde door een van de oorzaken opgesomd in artikelen 61 en 62 van bovenvermelde wet van 1992;
3° het gaat om een zonevreemd gebouw, dat gesloopt wordt voor de uitbetaling van de aanvullende schadevergoeding;
4° ingeval het gebouw een woning is, mag de eigenaar binnen het Vlaamse gewest geen andere woning bezitten.
De Vlaamse regering kan nadere regelen bepalen voor de voorwaarden voor de vergoeding, bedoeld in het eerste lid.]