Woninghuurwet (België)
Toepassingsgebied
Art. 1. § 1. Deze afdeling is van toepassing op huurovereenkomsten betreffende een woning
die de huurder, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de verhuurder, vanaf
de ingenottreding tot zijn hoofdver-blijfplaats bestemt.
Het beding waarbij het gehuurde goed niet tot hoofdverblijfplaats van de huurder mag
dienen en dat niet uitdrukkelijk noch ernstig kan worden gestaafd, onder meer door
elementen met betrekking tot de natuurlijke bestemming van het goed, en waarin de
hoofdverblijfplaats van de huurder tijdens de huurovereenkomst niet is vermeld, wordt voor
niet geschreven gehouden.
Deze afdeling is tevens van toepassing indien de woning, met de schriftelijke toestemming
van de verhuurder, in de loop van de huurovereenkomst tot hoofdver-blijf-plaats wordt
bestemd. In dat geval neemt de huurovereenkomst een aanvang de dag waarop deze toestemming
is verleend.
Deze afdeling is van toepassing op de onderhuur van de in het eerste lid bedoelde woning,
aangegaan overeenkomstig artikel 4 van deze afdeling en binnen de grenzen bepaald in
hetzelfde artikel.
§ 2. Deze afdeling is niet van toepassing wanneer de overeenkomst op grond waarvan de
woning aan de huurder wordt toegewezen, ondergeschikt is aan een hoofdovereenkomst, die
betrekking heeft op de functie of de bedrijvigheid van de huurder.
§ 3. Deze afdeling is niet langer van toepassing zodra het gehuurde pand niet meer tot
hoofdverblijfplaats wordt bestemd.
Staat van het gehuurde goed
BRON :
BURGERLIJK WETBOEK
BOEK III. OP WELKE WIJZE EIGENDOM VERKREGEN WORDT
TITEL VIII. HUUR
HOOFDSTUK II. HUUR VAN GOEDEREN
AFDELING II. REGELS BETREFFENDE
DE HUUROVEREENKOMSTEN MET BETREKKING TOT DE HOOFDVERBLIJFPLAATS VAN DE HUURDER IN HET
BIJZONDER